ECLI:NL:CRVB:2017:1631
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college tot verrekening dwangsom bij WWB na 1 juli 2013
In deze zaak stond centraal de vraag of het college van burgemeester en wethouders bevoegd was om een dwangsom te verrekenen met een openstaande vordering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De rechtbank had eerder geoordeeld dat het college deze bevoegdheid had, ook al was de verschuldigdheid van de dwangsom vastgesteld vóór de inwerkingtreding van artikel 60a van de WWB op 1 juli 2013.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en verbeterde de motivering. De Raad benadrukte dat artikel 60a van de WWB met onmiddellijke werking is ingevoerd en dat het college vanaf de inwerkingtredingsdatum bevoegd is tot verrekening van dwangsommen, ongeacht wanneer de verschuldigdheid daarvan is vastgesteld. Dit betekent dat de datum waarop het verbeurd zijn van de dwangsom is vastgesteld of had moeten worden vastgesteld, niet relevant is voor de bevoegdheid tot verrekening.
De procedure betrof een dwangsom van €1.260,- die was toegekend wegens het niet tijdig beslissen op een bezwaar. Het college had deze dwangsom verrekend met een openstaande vordering van €108.578,89 die was ontstaan door terugvordering van ten onrechte verleende bijstand. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college deze verrekening terecht had toegepast en wees het beroep van appellante af.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 maart 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college bevoegd is tot verrekening van de dwangsom en wijst het beroep van appellante af.