ECLI:NL:CRVB:2017:168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening studiefinanciering wegens ontoelaatbaar bewijs
Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarbij haar studiefinanciering werd herzien en een bestuurlijke boete werd opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het onderzoek naar de woonsituatie van appellante mede was verricht door een controleur die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij het private bedrijf werkzaam was, maar via een payrollconstructie. Volgens eerdere jurisprudentie is het toezicht op de naleving van de Wet studiefinanciering 2000 een overheidstaak waarbij terughoudendheid geldt bij het inschakelen van personen buiten de overheid. Bevindingen van onderzoek door onbevoegde controleurs zijn als bewijs ontoelaatbaar.
Omdat het onderzoek in deze zaak mede door een onbevoegde controleur was verricht, waren de bevindingen onrechtmatig verkregen en konden deze niet als bewijs dienen. Hierdoor ontbrak een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellante niet op het geregistreerde adres woonde. Het bestreden besluit was daarom niet deugdelijk gemotiveerd en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.
De Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept de eerdere besluiten. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd bepaald dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening studiefinanciering en boeteoplegging wordt vernietigd wegens ontoelaatbaar bewijs.