ECLI:NL:CRVB:2017:171
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid na intrekking WAO-uitkering wegens recidief depressie
Appellante ontving van 1997 tot 2007 een WAO-uitkering wegens lichamelijke en psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na hervatting van werkzaamheden en een melding van verslechterde gezondheid in 2011, stelde het Uwv vast dat er geen recht op WAO-uitkering bestond omdat de beperkingen niet zodanig waren toegenomen.
In bezwaar en beroep betoogde appellante dat haar beperkingen werden onderschat, met name door toegenomen depressieve klachten. De rechtbank stelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er onvoldoende objectieve gegevens waren om beperkingen uit te breiden. Ook de arbeidsdeskundige vond de voorgehouden functies passend.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt zonder nieuwe medische onderbouwing. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een matige recidief depressie en dat het IQ-onderzoek uit 2010 geen aanleiding gaf tot aanvullende beperkingen. Ook het aspect van vertraagd handelingstempo stond het vervullen van functies niet in de weg.
De Raad zag geen reden een deskundige te raadplegen en concludeerde dat het Uwv de situatie juist had beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WAO-uitkering.