ECLI:NL:CRVB:2017:1713
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkeringsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding en terugvordering voorschot
Appellant diende op 23 februari 2015 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de IOAW, waarbij hij verklaarde alleen te wonen. Het college stelde echter vast dat appellant en S samen een gezamenlijke huishouding voerden, mede op basis van een ingevulde vragenlijst en gedeelde woonlasten. Het college wees de aanvraag af en vorderde een voorschot terug.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de terugvordering op een verkeerde wettelijke grondslag was gebaseerd. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat sprake was van wederzijdse zorg en dat de terugvordering weliswaar op de verkeerde grondslag was gebaseerd, maar dat dit kon worden hersteld op basis van de Participatiewet.
Verder wees de Raad het beroep af tegen de afwijzing van een nieuwe aanvraag van appellant, omdat geen wijziging van omstandigheden was aangetoond. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en oordeelde dat het college zorgvuldig en deugdelijk had gehandeld. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de uitkeringsaanvraag en de terugvordering van het voorschot wegens gezamenlijke huishouding.