ECLI:NL:CRVB:2016:4747
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellante vroeg bijstand aan naar de norm voor een alleenstaande en gaf aan bij W te wonen op een bepaald adres. Na onderzoek door de uitvoeringsorganisatie werd vastgesteld dat appellante en W een gezamenlijke huishouding voerden met wederzijdse zorg. Dit leidde tot afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep. De Raad beoordeelde of sprake was van een gezamenlijke huishouding conform artikel 3 lid 3 WWB Pro, waarbij wederzijdse zorg centraal staat. Uit verklaringen en huisbezoek bleek dat appellante en W zorg voor elkaar droegen, zoals het delen van kosten, gezamenlijke huishoudelijke taken en financiële verstrengeling.
Appellante voerde aan dat de zorg niet van voldoende gewicht was en dat eerdere bijstandsperiodes geen gezamenlijke huishouding hadden opgeleverd. De Raad verwierp deze argumenten omdat de objectieve feiten en het onderzoek een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg aannemelijk maken.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.