Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van de uitspraak van 8 mei 2014, waarin werd beslist over het hoger beroep betreffende de beëindiging van haar tijdelijke aanstelling met proeftijd en vrijstelling van werkzaamheden.
De Raad beoordeelde dat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die haar niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn vóór de uitspraak van 8 mei 2014, zoals vereist in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad benadrukte dat het bijzondere middel van herziening niet bedoeld is om een hernieuwde discussie over de zaak of de juistheid van de uitspraak te voeren. Ook opmerkingen over de gang van zaken tijdens eerdere zittingen konden niet tot herziening leiden.
Verzoekster had bovendien aangegeven niet te beschikken over een bepaald geschrift van de minister, maar de Raad stelde vast dat dit verweer schriftelijk was ingediend en aan verzoekster was toegezonden.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het verzoek niet aan de wettelijke eisen voldoet en wees het verzoek tot herziening af. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.