ECLI:NL:CRVB:2017:1752
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding huishoudelijke hulp op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
Appellant, geboren in 1932 en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om uitbreiding van zijn vergoeding voor huishoudelijke hulp van één naar drie dagdelen per week. Verweerder wees dit af omdat appellant naar het oordeel van de geneeskundig adviseurs in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.
Het beleid van verweerder stelt dat personen van 70 jaar of ouder een vergoeding voor twee dagdelen kunnen krijgen indien zij niet in staat zijn lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten, waarbij lichte werkzaamheden onder meer afstoffen, afwassen en boodschappen doen omvatten. Dit beleid is door de Raad onderschreven en bevat geen limitatieve opsomming.
De medische adviezen van de geneeskundig adviseurs bevestigen dat appellant lichte huishoudelijke taken verricht, zoals afwassen met behulp van de afwasmachine, koffie zetten en het bereiden van maaltijden. Ondanks enige hulp bij zware boodschappen concludeert de Raad dat appellant in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van uitbreiding van huishoudelijke hulp blijft in stand.