ECLI:NL:CRVB:2017:176

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 januari 2017
Publicatiedatum
19 januari 2017
Zaaknummer
15-4289 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 Algemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongeschiktheidsontslag ambtenaar wegens veiligheidsrisico door leefomgeving

Appellante was werkzaam als Medewerker Verwerken en Behandelen bij het Arrondissementsparket en kreeg ontslag wegens ongeschiktheid op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Dit ontslag volgde nadat haar echtgenoot werd aangehouden met een ruime hoeveelheid softdrugs in zijn auto, wat een veiligheidsrisico voor het Openbaar Ministerie vormde.

De minister stelde dat appellantes functie onverenigbaar was met haar leefomgeving, vanwege het risico dat zij onder druk zou kunnen worden gezet door criminele contacten van haar echtgenoot. Tevens werd appellante verweten dat zij geen melding had gemaakt van haar eigen aanhouding en inverzekeringstelling wegens verdenking van een strafbaar feit. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ontslag ongegrond.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Hoewel appellante afstand hield tot haar broers met criminele antecedenten, was de situatie met haar echtgenoot anders en vormde dit een nieuw en groter veiligheidsrisico. De Raad oordeelde dat het ontslag terecht was en dat de minister zijn bevoegdheid in redelijkheid had uitgeoefend. Het functioneren van appellante in het verleden deed hieraan niet af.

Uitkomst: Het ongeschiktheidsontslag van appellante wordt bevestigd wegens het veiligheidsrisico dat haar leefomgeving vormt.

Uitspraak

15/4289 AW
Datum uitspraak: 19 januari 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
30 april 2015, 14/9686 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. V.M. Weski, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Weski. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.W. te Selle, mr. R.P.H.E. de Beukelaar MPA en M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was werkzaam in de functie van Medewerker Verwerken en Behandelen bij het Arrondissementsparket te [arrondissement]. Op 19 november 2013 heeft appellante bij haar leidinggevende gemeld dat haar echtgenoot is aangehouden, omdat hij wordt verdacht van het in bezit hebben van verdovende middelen. Bij besluit van 25 november 2013 is aan appellante buitengewoon verlof verleend voor een periode van vier weken en is haar de toegang tot het gebouw ontzegd. Deze periode is nadien verlengd.
1.2.
Nadat de minister zijn voornemen hiertoe kenbaar had gemaakt en appellante haar zienswijze had gegeven, heeft de minister appellante bij primair besluit van 8 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 september 2014 (bestreden besluit), met ingang van
9 juli 2014 ontslag verleend op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellantes functie onverenigbaar is met haar leefomgeving. Haar leefomgeving vormt een afbreukrisico voor het Openbaar Ministerie (OM) en appellante wordt aangemerkt als een veiligheidsrisico voor het OM. Voortzetting van haar dienstverband wordt dan ook onwenselijk geacht. De echtgenoot van appellante is met een ruime hoeveelheid verdovende middelen in zijn auto aangehouden, wat aannemelijk maakt dat hij criminele contacten heeft. Er bestaat het risico dat appellante onder druk wordt gezet door mensen uit haar leefomgeving. Voorts heeft de minister appellante tegengeworpen dat zij geen melding heeft gemaakt van haar aanhouding en inverzekeringstelling op 3 juni 2014 wegens verdenking van een strafbaar feit. Tot slot heeft de minister gesteld dat plaatsing in een andere functie geen optie is, omdat appellante in elke functie toegang tot de computersystemen van de organisatie zal moeten hebben.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.
3.1.
Ter beoordeling ligt voor of het ontslag van appellante in rechte standhoudt.
3.2.
Niet in geschil zijn, en ook de Raad gaat daarvan uit, de volgende feiten. Appellante woont samen met haar echtgenoot J en vier kinderen. Tijdens een verkeerscontrole op
18 november 2013 is J staande gehouden en is in de kofferbak, in de ruimte van het reservewiel, van zijn auto ongeveer twintig kilogram softdrugs aangetroffen, verpakt in pakketjes met bruine tape. Voorts is bij een doorzoeking van het garagebedrijf van J een pakket softdrugs aangetroffen in een lasapparaat. J heeft tijdens een verhoor op 19 november 2013 verklaard dat hij een domme fout heeft gemaakt, dat hij dacht even geld te verdienen om de financiële situatie voor hem beter te maken en dat hij het nooit had moeten doen.
3.3.
Wat in 3.2 is weergegeven in relatie tot het gegeven dat appellante werkzaam is bij het OM en zij uit hoofde van haar functie toegang heeft tot vertrouwelijke gegevens in de systemen van het OM, leidt ertoe dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat appellante niet te handhaven is in haar functie op de grond dat haar leefomgeving een te groot veiligheidsrisico voor het OM vormt.
3.4.
Appellante heeft aangevoerd dat, hoewel bij het OM bekend was dat haar twee broers diverse malen met de politie in aanraking zijn geweest in verband met criminele activiteiten en meermaals zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen, dit voor het OM nimmer aanleiding is geweest om appellante te ontslaan. Zij vindt het onbegrijpelijk dat dit nu wel gebeurt. Dit betoog slaagt niet. Appellante miskent hiermee dat met de aanhouding van haar echtgenoot een nieuwe situatie is ontstaan die door het OM opnieuw moest worden gewogen. Appellante heeft altijd benadrukt dat zij afstand houdt tot haar broers en dat zij geen contacten met hen onderhoudt. Zij ontmoet haar broers uitsluitend incidenteel bij familie-aangelegenheden in het huis van haar ouders. De minister is hier ook steeds van uitgegaan. Niet kan worden staande gehouden dat haar positie ten opzichte van haar echtgenoot hieraan gelijk is. Dat appellante, zoals zij heeft betoogd, niets van doen heeft met de criminele activiteiten van haar echtgenoot laat onverlet dat tussen haar en haar echtgenoot niet die afstand bestaat die zij tot haar broers heeft. Aldus is een groter veiligheidsrisico ontstaan dan voorheen. Deze omstandigheden maken appellante ongeschikt om haar functie te vervullen, zodat de minister bevoegd was om haar ongeschiktheidsontslag te verlenen. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken. Dat appellante gedurende vele jaren naar tevredenheid heeft gefunctioneerd, leidt niet tot een ander oordeel. Haar functioneren heeft nimmer ter discussie gestaan.
3.5.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M.T. Boerlage en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2017.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) J. Smolders

HD