ECLI:NL:CRVB:2017:1791
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld buitenlands onroerend goed
Appellanten ontvingen sinds 2001 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. In een rechtmatigheidsonderzoek kwam naar voren dat zij vanaf 3 januari 2014 als eigenaar stonden geregistreerd van twee appartementen in Turkije, met een waarde van circa €67.145. Appellanten ontkenden eigenaar te zijn en stelden dat hun broer met volmacht de appartementen had gekocht en feitelijk eigenaar was.
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand per 3 januari 2014 in en vorderde de kosten terug. Een nieuwe aanvraag werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten. Appellanten overhandigden later documenten waaruit bleek dat de appartementen op 12 augustus 2014 waren verkocht, maar gaven geen duidelijkheid over de besteding van de verkoopopbrengst.
De Raad oordeelde dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij geen beschikking hadden over het onroerend goed en de verkoopopbrengst. De volmacht en verklaringen waren onvoldoende onderbouwd. Daarom was het recht op bijstand vanaf 3 januari 2014 tot 30 november 2014 niet aanwezig. Ook voor de periode daarna kon het recht niet worden vastgesteld wegens gebrek aan informatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; intrekking en terugvordering bijstand bevestigd.