ECLI:NL:CRVB:2017:1825
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering individuele inkomenstoeslag op grond van de Participatiewet bevestigd
Appellante, die blijvend volledig arbeidsongeschikt is en een uitkering ontvangt op grond van de Wajong en Wet WIA, verzocht om een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet. Het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant wees dit verzoek af omdat haar inkomen in de referteperiode van 36 maanden structureel hoger was dan de in de gemeentelijke verordening vastgestelde inkomensgrens van 101% van de toepasselijke bijstandsnorm.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar inkomen slechts marginaal de grens overschreed en dat zij geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, waardoor zij recht zou hebben op de toeslag. De Raad oordeelde dat de verordening de inkomensgrens bindend vastlegt en dat de structurele overschrijding van de inkomensgrens terecht tot weigering leidde.
Daarnaast stelde de Raad vast dat het dagelijks bestuur bevoegd is om persoonlijke omstandigheden mee te wegen bij de beoordeling van het zicht op inkomensverbetering, maar deze bevoegdheid strekt niet zover dat kan worden afgeweken van de vastgestelde inkomensgrens in de verordening. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin de rechtbank naliet het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten en veroordeelde het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep.
Uitkomst: De individuele inkomenstoeslag wordt geweigerd wegens structurele overschrijding van de inkomensgrens; het dagelijks bestuur wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.