ECLI:NL:CRVB:2017:1875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening onherroepelijke boetebesluiten WW wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant had boetes opgelegd gekregen door het UWV wegens het niet opgeven van werkzaamheden tijdens het ontvangen van een WW-uitkering. Deze boetebesluiten waren onherroepelijk omdat er geen rechtsmiddelen tegen waren ingesteld. Appellant verzocht het UWV om herziening van deze boetes naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van 24 november 2014, waarin het Boetebesluit socialezekerheidswetten werd onverbindend verklaard.
Het UWV weigerde de boetes te herzien en wees op een brief van de minister waarin werd aangegeven dat onherroepelijke boetes van voor 24 november 2014 niet zouden worden herzien. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat de uitspraak van de Raad geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde die herziening rechtvaardigde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het Boetebesluit niet meer van toepassing zou zijn en dat het niet herzien van de boetes onrechtvaardig was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het verzoek had afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op de onherroepelijke boetebesluiten wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.