ECLI:NL:CRVB:2017:1886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en beperkingen na verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant meldde zich ziek vanwege psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), en de arbeidsdeskundige selecteerde passende functies. Het UWV besloot dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
In bezwaar en beroep werd het onderzoek bevestigd; beperkingen werden toegeschreven aan verslavingsgedrag, stemmingsstoornis en medicatiegebruik. Appellant voerde aan dat de beperkingen in de FML onvoldoende waren vastgesteld en dat hij de geselecteerde functies niet kon verrichten vanwege onder meer concentratieproblemen, nekklachten en een stofallergie.
De Raad oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat de medicatielijst onvoldoende aanleiding gaf voor extra beperkingen, en dat er geen aanwijzingen waren voor een stofallergie die de belastbaarheid zou overschrijden. De geselecteerde functies zijn passend geacht. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere beslissing dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.