ECLI:NL:CRVB:2017:1908
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontvangt sinds 2003 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend op 55-65% arbeidsongeschiktheid. Na een verzoek tot herbeoordeling in 2013 heeft het UWV de uitkering per 17 juli 2014 beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het UWV de medische beperkingen adequaat had onderzocht en onderbouwd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij door psychische klachten meer beperkingen ondervindt dan door het UWV is aangenomen. Zij overhandigde aanvullende psychologische rapporten en behandeloverzichten. De Raad concludeert echter dat deze aanvullende informatie te summier en onvoldoende onderbouwd is om het eerdere oordeel te wijzigen. De verzekeringsarts heeft meerdere malen vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn voor een ernstige psychiatrische aandoening die beperkingen op het functioneren veroorzaakt.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante in staat is de geduide functies, waaronder medewerker tuinbouw, te verrichten. Het UWV heeft hiermee voldoende onderbouwd dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.