Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:1940

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 mei 2017
Publicatiedatum
31 mei 2017
Zaaknummer
15/5713 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWArt. 19ab ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens herstel arbeidsongeschiktheid

Appellante ontving sinds september 2013 een Ziektewetuitkering wegens lichamelijke klachten na een auto-ongeval. Na een eerstejaars beoordeling in juli 2014 concludeerden verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat zij haar administratieve functie niet meer kon vervullen, maar wel andere passende functies kon uitvoeren waarmee zij 79,45% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarom haar uitkering per oktober 2014.

Appellante maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing, stellende dat haar beperkingen, waaronder cognitieve problemen, werden onderschat en dat de geselecteerde functies niet passend waren. Zij verzocht ook om een onafhankelijk deskundigenonderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstiger beperkingen.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de medische rapporten en de functionele mogelijkhedenlijst zorgvuldig waren opgesteld en dat de informatie van de behandelaars was meegewogen. De cognitieve klachten waren onvoldoende onderbouwd om het oordeel van de verzekeringsarts te weerleggen. Ook de arbeidsdeskundige had de geschiktheid van de functies voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.

Uitspraak

15/5713 ZW
Datum uitspraak: 31 mei 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 juli 2015, 15/613 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.J.A. Aerts, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2017. Appellante en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich, met bericht, evenmin laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft na haar ziekmelding op 9 september 2013 wegens lichamelijke klachten ontstaan door een auto-ongeval ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen van het Uwv. Het laatste werk dat appellante voor die ziekmelding heeft verricht, was in de functie van administratief medewerkster voor – inclusief reisuren – gemiddeld 50 uur per week.
1.2.
In het kader van de eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsarts appellante op 16 juli 2014 gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
16 juli 2014. Een arbeidsdeskundige heeft geoordeeld dat appellante niet meer in staat is haar functie van administratief medewerker uit te oefenen en heeft zeven functies geselecteerd die zij met haar beperkingen nog wel kan vervullen en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 79,45% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 5 september 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 9 oktober 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat hij ziek werd.
1.3.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 29 januari 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep inclusief een aangepaste FML van 19 januari 2015 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 januari 2015 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig geacht en heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de FML van
19 januari 2015. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de informatie van de behandelaars van appellant onjuist is uitgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat voor een urenbeperking uit energetisch of preventief oogpunt geen reden is.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de uit haar lichamelijke en psychische klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Zij ziet zich in haar standpunt gesteund door de bevindingen van haar behandelaars, te weten haar huisarts, fysiotherapeute, psycholoog en orthomanueel arts. Appellante heeft daartoe verwezen naar wat zij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. Daaraan heeft zij toegevoegd dat de rechtbank niet is ingegaan op haar beroepsgrond dat ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen in verband met haar cognitieve problemen. Appellante heeft verzocht om benoeming van een onafhankelijk deskundige. Ten slotte heeft zij gesteld dat de geselecteerde functies niet passend zijn voor haar, omdat de functies haar belastbaarheid op verschillende onderdelen overschrijden.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv blijkt dat het dossier is bestudeerd, dat appellante is onderzocht, dat informatie van de behandelend sector (waaronder de onder 3.1 genoemde behandelaars) bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante is meegewogen en dat daarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de vertegenwoordiger van het Uwv ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen heeft gegeven dat in de beroep ingezonden brief van 27 april 2015 van orthomanueel arts B. Bot geen andere diagnose wordt gesteld dan al bekend was.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van zijn onderzoek overtuigend en navolgbaar geconcludeerd dat een duidelijk organisch substraat voor de nek- en schouderklachten ontbreekt. Hij heeft bij dit standpunt kunnen betrekken dat verder specialistisch onderzoek (bijvoorbeeld door een neuroloog of een orthopedisch chirurg) vanuit curatief oogpunt voor die klachten ook niet geïndiceerd blijkt te zijn. Zijn standpunt dat appellante als beperkt belastbaar wat betreft haar nek- en schouders wordt aangemerkt, maar voor verdergaande beperkingen geen aanleiding bestaat, vloeit daar begrijpelijkerwijs uit voort. Bij dit standpunt heeft hij ook de activiteiten die appellante in het dagelijks leven nog wél verricht, kunnen betrekken.
4.4.
De rechtbank is inderdaad niet expliciet ingegaan op de in medische bijlage van het beroep gestelde cognitieve problemen. Zij geeft deze beroepsgrond echter voldoende besproken met haar vaststelling dat de verzekeringsarts geen psychische beperkingen heeft aangenomen omdat deze niet geobjectiveerd zijn. Er is geen aanknopingspunt voor twijfel aan dit standpunt van de verzekeringsarts dat wordt bevestigd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft naar aanleiding van de informatie van de psycholoog overtuigend en navolgbaar vastgesteld dat appellante weliswaar angstklachten heeft gerelateerd aan het autorijden, maar dat van cognitief disfunctioneren als gevolg van ernstige psychopathologie of cerebrale schade geen sprake is.
4.5.
Geconcludeerd wordt dat wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, onvoldoende is om het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. In hoger beroep heeft appellante geen medische stukken overgelegd die tot een ander oordeel over haar medische belastbaarheid moeten leiden. De rechtbank heeft terecht geen deskundige ingeschakeld. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat de informatie van de behandelend artsen inzichtelijk is betrokken bij de beoordeling van appellante en uit die informatie geen gegevens naar voren komen die op andere of ernstiger beperkingen wijzen dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen.
4.6.
De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 28 januari 2015 en het bijbehorende resultaat functiebeoordeling voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. De arbeidskundige gronden zijn voor het overige gebaseerd op niet in de FML van 19 januari 2015 opgenomen beperkingen en slagen daarom niet.
4.7.
De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moeten worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wordt daarom afgewezen.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van
M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2017.
(getekend) A.T. de Kwaasteniet
(getekend) M.S.E.S. Umans

UM