ECLI:NL:CRVB:2017:1940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens herstel arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds september 2013 een Ziektewetuitkering wegens lichamelijke klachten na een auto-ongeval. Na een eerstejaars beoordeling in juli 2014 concludeerden verzekeringsarts en arbeidsdeskundige dat zij haar administratieve functie niet meer kon vervullen, maar wel andere passende functies kon uitvoeren waarmee zij 79,45% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarom haar uitkering per oktober 2014.
Appellante maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing, stellende dat haar beperkingen, waaronder cognitieve problemen, werden onderschat en dat de geselecteerde functies niet passend waren. Zij verzocht ook om een onafhankelijk deskundigenonderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstiger beperkingen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad stelde vast dat de medische rapporten en de functionele mogelijkhedenlijst zorgvuldig waren opgesteld en dat de informatie van de behandelaars was meegewogen. De cognitieve klachten waren onvoldoende onderbouwd om het oordeel van de verzekeringsarts te weerleggen. Ook de arbeidsdeskundige had de geschiktheid van de functies voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering bevestigd.