Uitspraak
8 maart 2016, 15/2127 (aangevallen uitspraak 1), 14/6571 en 14/6233 (aangevallen uitspraak 2), 18 maart 2016, 15/2943 en 15/2944 (aangevallen uitspraak 3) en 23 maart 2016, 14/8445 tot en met 14/8447 (aangevallen uitspraak 4)
Centrale Raad van Beroep
Appellant is door zijn zorgverzekeraar aangemeld als wanbetaler bij het CAK, waarna hij een bestuursrechtelijke premie verschuldigd werd. Hij maakte bezwaar tegen deze aanmelding en de premie, maar deze bezwaren werden door het CAK en het CJIB niet-ontvankelijk verklaard of ongegrond bevonden.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond of niet-ontvankelijk en oordeelde dat tegen de aanmelding als wanbetaler en het besluit over de bestuursrechtelijke premie geen bezwaar bij het CAK en beroep bij de bestuursrechter mogelijk is. Appellant stelde in hoger beroep dat de aanmelding onterecht was en dat de wettelijke grondslag ontbrak, en voerde ook bezwaar tegen de griffierechtheffing.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat geschillen over de aanmelding als wanbetaler voorgelegd moeten worden aan een onafhankelijke geschillencommissie. Appellant had dit ook gedaan, waarbij de geschillencommissie de aanmelding als wanbetaler rechtmatig achtte.
De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraken terecht zijn en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.