ECLI:NL:CRVB:2017:1982
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar en OV-schuld wegens niet tijdig stopzetten studentenreisproduct
Appellant had voor de jaren 2014 en 2015 studiefinanciering in de vorm van een lening ontvangen, maar werd vanaf 1 oktober 2014 gewezen op het stopzetten van zijn studentenreisproduct om een schuld te voorkomen. Ondanks meerdere berichten van de minister en een besluit waarin een oplopende OV-schuld werd vastgesteld, zette appellant zijn studentenreisproduct pas op 2 oktober 2015 stop.
De minister verklaarde het bezwaar van appellant tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk wegens te late indiening en wees het bezwaar tegen latere besluiten ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en dat appellant aansprakelijk bleef voor de OV-schuld omdat het niet tijdig stopzetten hem aantoonbaar wel kon worden toegerekend.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij dacht het studentenreisproduct al eerder te hebben stopgezet en dat hij uit de berichten van de minister niet kon afleiden dat hij een schuld opbouwde. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat appellant voldoende was gewezen op zijn verplichtingen en dat de schuld duidelijk in de berichten stond vermeld.
De Raad concludeerde dat het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct appellant aantoonbaar wel kan worden toegerekend en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is en dat appellant aansprakelijk blijft voor de OV-schuld wegens niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct.