ECLI:NL:CRVB:2017:1994

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2017
Publicatiedatum
2 juni 2017
Zaaknummer
15/6494 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 Wet WIA
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toename arbeidsongeschiktheid

Appellant is sinds 1998 bekend bij het UWV vanwege lichamelijke en psychische klachten en heeft meerdere beoordelingen ondergaan in het kader van de Wet WIA. In 2010 stelde het UWV vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering omdat zijn verdiencapaciteit met minder dan 35% was verminderd. Dit besluit werd bevestigd in bezwaar, beroep en hoger beroep.

In 2014 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid, waarop een nieuw medisch onderzoek volgde. De verzekeringsarts concludeerde dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling in 2009. Het UWV besloot opnieuw dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd door de rechtbank en vervolgens door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.

Appellant voerde aan dat zijn beperkingen wel waren toegenomen en dat hij vanwege verstandelijke beperkingen en begeleidingsbehoefte niet zelfstandig behandeld kon worden. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat de aangeleverde medische stukken onvoldoende aanleiding gaven om het standpunt van het UWV te wijzigen. De enkele verklaring van de huisarts werd onvoldoende onderbouwd geacht.

De Raad concludeert dat er geen toename van arbeidsongeschiktheid is en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering wegens het ontbreken van een toename van arbeidsongeschiktheid sinds 2009.

Uitspraak

15/6494 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
21 augustus 2015, 15/1766 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 juni 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schröder en M. Iqachaura, tolk. Tevens is de dochter van appellant,
[naam dochter], meegekomen. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en volstaat met het volgende.
1.2.
Appellant is vanwege lichamelijke en psychische klachten sinds medio 1998 bij het Uwv bekend in verband met arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als ook de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.3.
Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, vastgesteld dat met ingang van 6 november 2009 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat uit medisch en arbeidskundig onderzoek is gebleken dat appellant weliswaar beperkingen ondervindt in verband met lichamelijke en psychische klachten – welke beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) – maar dat hij met inachtneming van deze FML een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35% resteert. Bij besluit van 23 mei 2011 heeft het Uwv, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2010 ongegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen besluit van 12 oktober is door de rechtbank bij uitspraak van 3 november 2011 ongegrond verklaard. Dit oordeel is door de Raad bevestigd bij uitspraak van
7 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY5459).
1.4.
Bij formulier “wijzigingen doorgeven” heeft appellant op 9 september 2014 gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd. De verzekeringsarts heeft, na informatie te hebben verkregen van de huisarts en Altrecht, appellant medisch onderzocht. Deze arts heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen omdat de belastbaarheid van appellant ten opzichte van de medische beoordeling per 6 november 2009 niet is gewijzigd. Dit heeft ertoe geleid dat het Uwv bij besluit van 27 november 2014 heeft vastgesteld dat voor appellant met ingang van 9 september 2014 geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 november 2014 is door het Uwv bij besluit van 4 maart 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben verricht en op verantwoorde en inzichtelijke wijze hebben gemotiveerd dat appellants beperkingen met betrekking tot zijn lichamelijke en psychische klachten per 9 september 2014 niet zijn toegenomen ten opzichte van de beperkingen die per 6 november 2009 zijn vastgesteld. Daarbij hebben de verzekeringsartsen informatie van de huisarts en Altrecht betrokken en gewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd geconcludeerd dat appellant weliswaar somberheidsklachten had per 9 september 2014 maar dat hij op dezelfde wijze functioneerde als ten tijde van de einde wachttijd op 6 november 2009. Op de in beroep aangevoerde gronden en medische informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat hierin geen aanknopingspunten zijn om het ingenomen standpunt te wijzigen.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het besluit berust op een ontoereikende medische grondslag. Zijn lichamelijke en psychische beperkingen zijn niet goed ingeschat. De klachten zijn wel degelijk toegenomen ten opzichte van de medische beoordeling per
6 november 2009 en de belastbaarheid is verslechterd. Ter zitting is door de dochter van appellant aangegeven dat appellant verstandelijk beperkt is en buitenshuis begeleid moet worden. Behandeling van zijn klachten wordt hierdoor belemmerd omdat appellant zich niet zelfstandig naar de behandelaar kan begeven. Tot slot is gewezen op een brief van
9 maart 2015, overgelegd in beroep, waarin de huisarts heeft aangegeven dat hij appellant op psychische gronden arbeidsongeschikt acht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 9 september 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat geen sprake is van een toename van zijn arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 55 van Pro de Wet WIA.
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig en volledig is geweest en dat daaruit door het Uwv de juiste conclusies zijn getrokken. In de brief van Altrecht, de informatie van de huisarts en het medicatieoverzicht zijn, gelet op de toelichting van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep), geen aanknopingspunten gelegen voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van deze artsen dat de belastbaarheid van appellant per
9 september 2014 ten opzichte van de beoordeling per 6 november 2009 is toegenomen. Zoals opgemerkt door het Uwv is deze medische informatie betrokken en meegewogen. Voorts blijkt uit de informatie van Altrecht dat appellant sinds 2011 niet meer onder behandeling is. Appellant heeft wel verschillende malen het spreekuur van de huisarts bezocht met, onder meer, somberheidsklachten. De verzekeringsartsen hebben voldoende gemotiveerd dat appellant met deze klachten op hetzelfde niveau heeft gefunctioneerd als op
6 november 2009. Dat bij appellant sprake is van zwakbegaafdheid was al bekend. Hiermee is rekening gehouden bij (eerdere) arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen. Op de door appellant in beroep overgelegde brieven van de huisarts, waaronder een brief van 9 maart 2015, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 7 mei 2015 voldoende gemotiveerd waarom deze geen aanleiding geven een andersluidend standpunt in te nemen. Zoals ter zitting namens het Uwv is opgemerkt, kan aan de enkele verklaring van de huisarts, zoals neergelegd in de brief van 9 maart 2015, zonder dat dit is onderbouwd met bevindingen en conclusies, niet die waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wil zien. Daarvoor ontbreekt een voldoende medische grondslag. Geconcludeerd moet worden dat er geen aanknopingspunten zijn om de naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Appellant heeft zijn standpunt dat hij meer beperkt is in hoger beroep niet onderbouwd met nieuwe medische stukken.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2017.
(getekend) L. Koper
(getekend) L.H.J. van Haarlem

KP