ECLI:NL:CRVB:2017:2010
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende feitelijke grondslag voor intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens het verzwegen voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant op het uitkeringsadres. Na onderzoek, waaronder huisbezoeken en verklaringen, concludeerde het college dat appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres vanaf 1 september 2009.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor de conclusie dat appellant reeds vanaf 1 september 2009 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Wel was vanaf 3 december 2012 sprake van gezamenlijke huishouding. De Raad vernietigde de bestreden besluiten voor de periode tot 2 december 2012 en bepaalde dat het college een nieuwe berekening moet maken voor de periode daarna.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt dat bij het vaststellen van hoofdverblijf en gezamenlijke huishouding objectieve criteria gelden en dat motieven of aard van de relatie niet doorslaggevend zijn.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering zijn vernietigd voor 1 september 2009 tot 2 december 2012; het college moet nieuwe besluiten nemen voor de periode daarna.