Uitspraak
24 mei 2016, 15/1599 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als productiemedewerkster en meldde zich ziek met rug- en psychische klachten tijdens een WW-uitkering. Het UWV stelde vast dat zij per 20 april 2015 geschikt was voor gecombineerde maatgevende arbeid, bestaande uit functies in een vleesverwerkingsbedrijf en een wasserij. Dit besluit werd aanvankelijk door de rechtbank deels vernietigd vanwege onvoldoende motivering, waarna het UWV een nadere motivering gaf.
De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de geschiktheid van appellante op inhoudelijk overtuigende wijze had gemotiveerd, waarbij werd vastgesteld dat haar klachten geen urenbeperking vereisten en dat het werk gestructureerd en niet zwaar belastend is. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, waaronder een diagnose baarmoederhalskanker, onvoldoende waren meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, oordeelde dat de medische stukken geen objectieve beperkingen aantoonden op de datum in geding, en verwierp de bezwaren over rugklachten, medicatiegebruik en psychische klachten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd dat appellante geschikt is voor de gecombineerde maatgevende arbeid per 20 april 2015.