Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:2106

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 mei 2017
Publicatiedatum
14 juni 2017
Zaaknummer
15-5934 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen handelsactiviteiten met pups

Appellanten ontvingen bijstand in 2012 en vroegen deze opnieuw aan in 2013 na faillissement van hun onderneming. Het college ontving een tip over het fokken en verkopen van pups, waarna een onderzoek werd gestart. Dit onderzoek toonde aan dat appellanten meer dan 300 advertenties plaatsten met pups te koop, wat duidt op handelsactiviteiten en niet op incidentele verkoop van privégoederen.

Het college trok de bijstand over de periodes van mei tot september 2012 en januari tot maart 2013 in en vorderde de kosten terug omdat appellanten deze inkomsten niet hadden gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat het college terecht aannam dat sprake was van handelsactiviteiten en dat appellanten de inlichtingenplicht schonden. Omdat appellanten geen gegevens over de omvang van hun inkomsten konden overleggen, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, wat intrekking rechtvaardigt. De terugvordering werd eveneens bevestigd.

Appellanten verschenen niet bij de zitting en voerden geen nieuwe gronden aan tegen de terugvordering. De Raad vond geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit volledig.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde handelsactiviteiten met pups wordt bevestigd.

Uitspraak

15.5934 WWB

Datum uitspraak: 23 mei 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juli 2015, 15/507 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en N[appellante] (appellante) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Etten-Leur (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. J.C. Sneep, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2017. Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Frijters.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten hebben in de periode van 7 mei 2012 tot en met 24 september 2012 bijstand ontvangen naar de norm van gehuwden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand is beëindigd omdat appellant een eigen onderneming startte. Wegens faillissement van de onderneming hebben appellanten zich op 16 januari 2013 opnieuw gemeld voor een aanvraag om bijstand, waarna zij op 1 februari 2013 de aanvraag hebben ingediend. Omstreeks februari 2013 heeft het college een tip ontvangen over het fokken en verkopen van honden door appellanten. Naar aanleiding van de aanvraag en mede gelet op fraudesignalen tijdens de eerdere periode van bijstandverlening, heeft een medewerker van de gemeente Etten-Leur (medewerker) een onderzoek verricht. Dit onderzoek bestond onder meer uit een huisbezoek bij appellanten op 12 maart 2013. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 21 maart 2013. In de rapportage is opgenomen dat er signalen zijn die wijzen op handel in honden, maar dat op dat moment niet van onrechtmatigheid blijkt. De medewerker heeft voorts in de rapportage opgenomen dat voor mei 2013 een rechtmatigheidsonderzoek wordt ingepland. Bij besluit van 21 maart 2013 heeft het college aan appellanten met ingang van 16 januari 2013 bijstand toegekend naar de norm van gehuwden.
1.2.
In september 2013 is de medewerker het onder 1.1 bedoelde rechtmatigheidsonderzoek gestart. Dit viel vrijwel samen met de ontvangst van een melding via Meld Misdaad Anoniem op 5 september 2013 over het verkopen van puppy’s en het niet opgeven van inkomsten door appellanten. In het kader van het onderzoek heeft de medewerker onderzoek verricht op internet aan de hand van de van appellanten bekende telefoonnummers en e-mailadressen, gegevens opgevraagd bij Marktplaats.nl, de verkregen gegevens geanalyseerd, een
proces-verbaal van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) van 20 juli 2012 opgevraagd en ontvangen inzake illegale handel in honden met als pleegdatum 14 april 2012 en heeft hij op 16 oktober 2013 en op 4 februari 2014 gesprekken gevoerd met appellanten. De bevindingen uit het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 maart 2014.
1.3.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
23 juni 2014, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 17 december 2014 (bestreden besluit), het recht op bijstand van appellanten over de periode van 7 mei 2012 tot en met 23 september 2012 en over de periode van 16 januari 2013 tot en met 31 maart 2013 (te beoordelen perioden) in te trekken en de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 12.730,- bruto terug te vorderen. De besluitvorming berust op de grondslag dat appellanten in de genoemde perioden veelvuldig (jonge) honden/pups te koop hebben aangeboden en daarvan geen melding hebben gemaakt. Omdat appellanten geen gegevens hebben verstrekt waaruit de exacte omvang van de handel, wat betreft de verworven inkomsten en gedane uitgaven, kan blijken, is het recht op bijstand over de genoemde perioden niet meer vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5987) is het voor ontvangers van bijstand niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van daaruit verkregen verdiensten tijdig melding wordt gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan.
4.3.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat in de te beoordelen perioden sprake is van (handels)activiteiten en werkzaamheden waarmee inkomen is of kan worden verworven en niet van incidentele verkoop van privégoederen en dat appellanten, door dit niet te melden, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
4.4.1.
De rechtbank heeft voor dit oordeel terecht doorslaggevende betekenis gehecht aan de in het onderzoek verkregen gegevens van Marktplaats.nl. Uit deze gegevens blijkt dat appellanten in de periode van 7 mei 2012 tot 24 september 2012 meer dan 200 advertenties en in de periode van 16 januari 2013 tot en met 31 maart 2013 meer dan 100 advertenties zijn geplaatst waarin honden/pups worden aangeboden van verschillende rassen en tegen wisselende prijzen, de meeste gelegen tussen € 300,- en € 500,-. Deze advertenties zijn aan de hand van de e-mailadressen, IP-nummers en/of telefoonnummers gerelateerd aan appellanten. De rechtbank heeft terecht geconstateerd dat de verklaringen van appellanten hierover inconsistent zijn en niet nader onderbouwd. Appellanten hebben hun stelling dat de verkoop slechts om twee nestjes pups van appellanten zelf zou gaan en dat de overige advertenties hondjes betroffen van kennissen waarbij appellante zou hebben geholpen om deze op Marktplaats.nl te zetten, in het geheel niet onderbouwd. De stelling van appellanten dat de advertenties regelmatig door appellante werden ververst (wat inhoudt dat dezelfde advertentie weer bovenaan de lijst van aangeboden advertenties komt te staan), wat daar ook van zij, doet niet af aan de grote hoeveelheid verschillende advertenties die zij hebben geplaatst en hun erkenning dat daardoor jonge honden/pups zijn verkocht.
4.4.2.
Anders dan appellanten aanvoeren, bestond voor nader onderzoek door het college naar de kopers geen aanleiding, alleen al omdat appellanten in het geheel geen informatie hebben verstrekt over de verkoop of de kopers. De beroepsgrond dat bij diverse doorzoekingen nimmer honden/pups zijn aangetroffen, slaagt niet. Tijdens het huisbezoek op 12 maart 2013 waren blijkens het verslag drie pups in de woning aanwezig, waarvan na afloop van het huisbezoek door de medewerker is geconstateerd dat één van deze pups - anders dan appellanten tijdens het huisbezoek verklaarden - te koop werd aangeboden op Marktplaats.nl. Andere huisbezoeken hebben in de te beoordelen periode niet plaatsgevonden.
4.5.
Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
4.6.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij, als zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de hier te beoordelen perioden recht zouden hebben gehad op (aanvullende) bijstand. Appellanten hebben geen boekhouding of andere gegevens overgelegd waaruit de omvang van de verdiensten blijkt. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het recht op bijstand in de te beoordelen perioden niet is vast te stellen, zodat het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB verplicht was om de aan appellanten verleende bijstand over deze perioden in te trekken.
4.7.
Appellanten hebben geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de terugvordering, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.
4.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.L. Boxum en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2017.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) C. Moustaïne

HD