Uitspraak
23 december 2015, 15/380 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant, sinds 1987 gescheiden van zijn ex-echtgenoot B, vroeg een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) aan. De Sociale verzekeringsbank wees de aanvraag af omdat appellant volgens hen een gezamenlijke huishouding voert met B, waardoor het gezamenlijke inkomen hoger is dan de norm voor gehuwden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat er geen gezamenlijke huishouding is, onder meer omdat hij niet op hetzelfde adres woont en het onweerlegbaar rechtsvermoeden niet van toepassing zou zijn vanwege de volwassen leeftijd van de kinderen.
De Raad oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van toepassing blijft ongeacht de leeftijd van de uit de relatie geboren kinderen. Omdat appellant en B volgens de basisregistratie personen op hetzelfde adres staan ingeschreven, is sprake van gezamenlijke huishouding. Appellants stelling dat hij elders verblijft werd niet onderbouwd met objectieve gegevens.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De afwijzing van de AIO-aanvraag wordt bevestigd wegens gezamenlijke huishouding op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden.