ECLI:NL:CRVB:2017:2136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens toerekenbaar plichtsverzuim en schending ambtsgeheim politieambtenaar
Betrokkene, werkzaam bij de politie sinds 2008, werd ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim, waaronder het opzettelijk verzwijgen van zijn relatie met een vrouw wiens vader een crimineel verleden heeft, het doen van niet-werkgerelateerde bevragingen in het politie-informatiesysteem, het niet delen van informatie over een woningoverval met leidinggevenden, en het delen van vertrouwelijke politie-informatie met zijn vriendin en haar vader.
De rechtbank had het ontslag vernietigd omdat zij de straf onevenredig achtte gezien betrokkene's leeftijd, onervarenheid, PTSS en eerdere burn-out, en vond dat appellant onvoldoende nazorg had geboden. De rechtbank achtte het plichtsverzuim wel aanwezig maar niet toerekenbaar.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het plichtsverzuim wel toerekenbaar is, omdat betrokkene de ontoelaatbaarheid van zijn gedragingen had kunnen inzien en geen bewijs is geleverd dat PTSS hem daartoe belemmerde. De Raad vindt het ontslag passend gezien de ernst, duur en aard van de gedragingen en wijst het incidenteel hoger beroep af. Het subsidiair ontslag wegens ongeschiktheid wordt niet behandeld omdat het hoofdontslag standhoudt.
Uitkomst: Het disciplinaire ontslag van de politieambtenaar wordt bevestigd als niet onevenredig en toerekenbaar plichtsverzuim.