Appellante was werkzaam als klantmanager en meldde zich op 2 februari 2009 ziek met maag-, darm- en psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van circa 56,53% vast en wees bezwaar af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was, onderbouwd met een multidisciplinaire rapportage.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante leed aan PTSS en andere aandoeningen, en dat de oorspronkelijke beoordeling onvoldoende rekening hield met haar beperkingen. Het UWV verhoogde daarop de mate van arbeidsongeschiktheid naar 100%, maar vond haar niet duurzaam arbeidsongeschikt vanwege mogelijke behandelingen.
De deskundige stelde dat herstel niet was uitgesloten en dat er een redelijke kans op verbetering bestond bij adequate therapie. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat appellante volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op IVA-uitkering bestond. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard, en het besluit van het UWV herroepen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.