ECLI:NL:CRVB:2017:2192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste bekendmaking en niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Wajong-uitkering wegens detentie
Appellant ontving een Wajong-uitkering die door het UWV werd beëindigd per 20 mei 2014 wegens onttrekking aan detentie. Tevens werd vastgesteld dat appellant een te hoog bedrag had ontvangen dat terugbetaald moest worden. De besluiten van 15 juli 2014 werden aanvankelijk naar een oud adres gestuurd, waarna op 25 augustus 2014 afschriften naar het laatst bekende adres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) werden verzonden.
Appellant maakte op 14 oktober 2014 bezwaar, dat niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de bezwaartermijn was verstreken. De rechtbank oordeelde dat de besluiten op 25 augustus 2014 rechtsgeldig waren bekendgemaakt en de termijn liep van 26 augustus tot 6 oktober 2014. Verblijf bij moeder en detentie werden niet als verschoonbare omstandigheden erkend. Appellant had maatregelen moeten treffen voor postverzorging.
In hoger beroep erkende appellant dat het UWV niet kon weten waar hij verbleef, maar stelde dat de bezwaartermijn pas kon lopen vanaf 7 oktober 2014, toen de gemachtigde de besluiten ontving. De Raad oordeelde echter dat de bekendmaking aan appellant op 25 augustus 2014 rechtsgeldig was en dat de gemachtigde zich pas op 1 september 2014 had gesteld, waardoor de termijn niet werd verlengd.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare omstandigheden. De omstandigheden van detentie en verblijf bij moeder rechtvaardigen geen uitzondering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.