Appellant, werkzaam als klusjesman/werkvoorbereider, meldde zich in 2004 ziek na een bedrijfsongeval met klachten aan zijn rechterpols en -hand. Het UWV stelde vast dat hij vanaf november 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna diverse besluiten volgden over het al dan niet toekennen van WIA- en WGA-uitkeringen.
In 2014 vroeg appellant om herbeoordeling wegens vermeende verslechtering, maar het UWV stelde bij besluit van december 2014 vast dat hij vanaf februari 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit werd bij bezwaar en beroep bevestigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat rekening hield met de beperkingen van appellant.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet in staat was de werkzaamheden acht uur per dag te verrichten, maar dit werd niet onderbouwd met medische gegevens. De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en verzekeringsarts dat een urenbeperking niet nodig was en dat de voorgehouden functies medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.