ECLI:NL:CRVB:2017:2230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en passende functies
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek wegens schouder-, elleboog- en longklachten. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees zijn WIA-uitkering af. Zowel in bezwaar als in beroep werd dit besluit gehandhaafd nadat verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen de belastbaarheid en geschiktheid van functies hadden beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de conclusies van de verzekeringsartsen juist waren. Appellant bracht geen nieuwe medische informatie aan die twijfel kon zaaien over deze conclusies.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn long- en armklachten en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek zorgvuldig was, de belastbaarheid juist was vastgesteld en de functies passend waren. De aanvullende brief van de longarts uit 2017 bood geen nieuwe inzichten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.