Uitspraak
7 december 2015, 15/3117 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een stratenmaker en hovenier, vroeg op 19 augustus 2013 bijstand aan op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Het dagelijks bestuur kende hem op 8 oktober 2013 bijstand toe in de vorm van een renteloze geldlening, onder de voorwaarde dat hij te verwachten winst boven het resultaat van 2013 zou melden om terugvordering te voorkomen.
In januari 2015 stelde het dagelijks bestuur het recht op bijstand definitief vast en besloot dat appellant over de periode 1 augustus tot en met 31 december 2013 geen bijstand om niet toekwam, waarna het een bedrag van € 6.617,65 terugvorderde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat het vertrouwensbeginsel aan terugvordering in de weg stond, omdat hij meende dat hij op grond van het toekenningsbesluit en informatie van het IMK mocht vertrouwen op het uitblijven van terugvordering. De Raad oordeelde dat het vertrouwensbeginsel alleen geldt bij een ondubbelzinnige toezegging van het bevoegde orgaan, die hier ontbrak. Het IMK is niet bevoegd tot besluitvorming. Daarom werd het hoger beroep verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van € 6.617,65 en wijst het verzoek om schadevergoeding af.