ECLI:NL:CRVB:2017:2246
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding deels vernietigd
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB, waarbij appellante bijstand kreeg naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college trok de bijstand in en vorderde terug wegens het verzwegen voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant. De Raad maakte onderscheid tussen twee perioden: voor en na de geboorte van het gezamenlijke kind in 2014.
Voor de periode na de geboorte (periode 2) was voldoende feitelijke grondslag dat appellant zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Voor de periode daarvoor (periode 1) ontbrak deze grondslag, waardoor het college niet bevoegd was de bijstand in te trekken of terug te vorderen.
De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor de Raad de aangevallen uitspraak vernietigde, het beroep gegrond verklaarde en het college opdroeg opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college moet opnieuw beslissen over de intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 september 2012 tot 27 februari 2014.