ECLI:NL:CRVB:2017:2317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet wonen op opgegeven adres
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf daarbij een adres op waar hij zou wonen. Tijdens het intakegesprek verklaarde hij pas vanaf 13 april 2015 op dat adres te verblijven, terwijl hij aanvankelijk aangaf daar al vanaf 1 april te wonen. Het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen voerde onderzoek uit, waaronder waarnemingen en een huisbezoek, waaruit bleek dat appellant en zijn auto niet op het opgegeven adres werden aangetroffen en de woning een onbewoonde indruk maakte.
Het college wees de aanvraag bijstand af voor de periode van 7 april tot en met 11 mei 2015, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij daar zijn hoofdverblijf had. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de verklaringen en getuigenverklaringen onvoldoende concreet waren om het hoofdverblijf aan te tonen en dat de waarnemingen en het huisbezoek overtuigend waren.
De Raad benadrukte dat de aanvrager verplicht is juiste en volledige informatie te verstrekken en dat het college een onderzoeksplicht heeft om deze gegevens te controleren. Omdat appellant niet voldeed aan deze verplichting en het recht op bijstand daardoor niet kon worden vastgesteld, was de afwijzing terecht. De uitspraak van 15 augustus 2008, waarop appellant zich beriep, was niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens het niet aannemelijk maken van het hoofdverblijf op het opgegeven adres wordt bevestigd.