Uitspraak
16 juli 2015, 15/661 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, viel uit wegens rugklachten en ontving vanaf 2012 een WIA-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2014 achtte het UWV appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt en beëindigde de WGA-uitkering per 9 maart 2015. Appellant maakte bezwaar, dat door het UWV en later door de rechtbank ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep betwist appellant de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en stelt dat hij meer beperkingen heeft dan aangenomen. Hij bracht medische rapporten in van een medisch adviseur. Het UWV leverde aanvullende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Raad oordeelt dat het medische onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts het primaire rapport heeft getoetst en onderschreven. De medische beperkingen zijn adequaat vastgesteld, inclusief beperkingen voor rugbelasting en psychische aspecten. De arbeidskundige beoordeling is voldoende gemotiveerd en de geselecteerde voorbeeldfuncties zijn medisch geschikt voor appellant.
De Raad ziet geen aanleiding om het oordeel van het UWV te wijzigen en bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.