ECLI:NL:CRVB:2017:2402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen disciplinaire maatregelen wegens vermeend plichtsverzuim en nevenwerkzaamheden
Betrokkene, sinds 1978 werkzaam bij de gemeente, kreeg in 2014 disciplinaire straffen opgelegd wegens vermeend plichtsverzuim, waaronder het verrichten van nevenwerkzaamheden tijdens ziekte, overschrijding werktijden, niet melden van nevenwerkzaamheden en niet afboeken van ADV-uren. Het college verbood hem vanaf november 2013 nevenwerkzaamheden te verrichten vanwege onvoldoende inzicht in deze werkzaamheden.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en beperkte de straf tot schorsing en salarisvermindering gedurende de periode van buitengewoon verlof. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het college het verbod op nevenwerkzaamheden terecht heeft opgelegd, maar dat betrokkene niet tekort is geschoten in zijn meldingsplicht, mede omdat hij al in 2005 en 2006 melding had gedaan en het college onvoldoende zorg heeft gedragen voor het toezicht.
Verder is het niet afboeken van ADV-uren niet aan betrokkene toe te rekenen. Het college had onvoldoende inzicht om het verbod op te heffen en betrokkene heeft dit ook niet verzocht. De Raad vernietigt het besluit tot disciplinaire straf en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten. Het hoger beroep van betrokkene wordt gegrond verklaard, dat van het college verworpen.
Uitkomst: Disciplinaire straffen wegens plichtsverzuim worden vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.