ECLI:NL:CRVB:2017:241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing kwijtschelding bijstandsschuld op onjuiste grondslag
Appellant had een bijstandsschuld opgebouwd na intrekking van bijstand in 2003 wegens het niet melden van zelfstandige werkzaamheden. Het college weigerde meerdere keren kwijtschelding van de schuld, onder verwijzing naar artikel 58, zevende en achtste lid, van de Participatiewet (PW), dat vereist dat 120 termijnen vrijwillig zijn afgelost.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat dit artikel niet van toepassing is op vorderingen die zijn ontstaan vóór 1 januari 2013, zoals in dit geval. Hierdoor berust het besluit op een onjuiste wettelijke grondslag en kan het niet in stand blijven.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Verder wijst de Raad het beroep toe voor proceskosten en vergoedt het griffierecht.
Appellant voerde ook aan dat bijzondere omstandigheden tot afwijking van het beleid leidden, zoals medische klachten en aflossingen door zijn toenmalige partner, maar deze gronden werden verworpen wegens onvoldoende onderbouwing en het feit dat aflossingen per persoon moeten worden beoordeeld.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van overgangsrecht en beleidsregels bij terugvordering en kwijtschelding van bijstandsschulden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 29 juli 2015 wordt vernietigd wegens toepassing van een onjuiste wettelijke grondslag.