ECLI:NL:CRVB:2017:244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- A.B.J. van der Ham
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-wonen op opgegeven adressen
Appellante ontving bijstand sinds maart 2012 en stond ingeschreven op twee adressen, maar een onderzoek toonde aan dat zij niet daadwerkelijk op deze adressen woonde. Het college trok daarom de bijstand in vanaf oktober 2012 en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep stelde dat zij tijdelijk elders verbleef vanwege renovatiewerkzaamheden en dat het college hiervan op de hoogte was, waardoor het vertrouwensbeginsel werd geschonden. Ook stelde zij dat de terugvordering haar in financiële nood zou brengen.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat zij niet op de opgegeven adressen verbleef. Het onderzoek en getuigenverklaringen boden hiervoor voldoende grondslag. Het college was niet op de hoogte van het niet-wonen in de eerste periode en had de bijstand in de tweede periode uit coulance doorbetaald. Het vertrouwensbeginsel werd niet geschonden.
De terugvordering was terecht, omdat geen dringende redenen voor kwijtschelding bestonden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd omdat appellante niet op de opgegeven adressen woonde en de inlichtingenverplichting schond.