Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als taxichauffeur rolstoelvervoer en viel op 5 april 2012 uit. Het UWV stelde bij besluit van 10 februari 2014 vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering vanaf 3 april 2014. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep stelde het UWV bij een nieuw besluit van 26 januari 2016 dat appellant alsnog recht had op een WGA-vervolguitkering vanaf 3 april 2014, met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 43,25%. Appellant voerde aan dat het UWV zijn beperkingen onderschatte en dat de uitkering ten onrechte niet vanaf 20 december 2013 werd verstrekt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroep tegen het eerste besluit slaagt omdat het UWV in hoger beroep het recht op uitkering heeft erkend met ingang van 13 april 2014. Het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard omdat de vastgestelde beperkingen en de berekening van de uitkering zorgvuldig en juist zijn gemotiveerd. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 26 september 2014 wordt gegrond verklaard en het recht op WIA-uitkering met ingang van 13 april 2014 wordt toegekend, terwijl het beroep tegen het besluit van 26 januari 2016 ongegrond wordt verklaard.