ECLI:NL:CRVB:2017:2496

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2017
Publicatiedatum
19 juli 2017
Zaaknummer
16/6229 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 PWArt. 21 PWArt. 31 PWArt. 32 PWWet hervorming kindregelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand alleenstaande ouder wegens verrekening kinderalimentatie

Appellante, een alleenstaande ouder met drie minderjarige kinderen, ontving aanvullende bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naast een WIA-uitkering. Het college trok de bijstand met ingang van 30 september 2015 in omdat het totale inkomen, inclusief kinderalimentatie, de bijstandsnorm overschreed.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de kinderalimentatie niet op de bijstand in mindering mocht worden gebracht omdat de bijstand volgens haar alleen voor haarzelf was bedoeld en niet mede voor de kinderen.

De Raad oordeelde dat de bijstand voor alleenstaande ouders mede ten behoeve van de kinderen wordt verstrekt en dat de kinderalimentatie daarom als inkomen moet worden meegeteld. Het beroep op een eerder arrest van de Hoge Raad faalde omdat dat arrest betrekking had op de berekening van kinderalimentatie en niet op de verrekening daarvan met bijstand.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en verwierp het hoger beroep van appellante. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand omdat de ontvangen kinderalimentatie terecht op de bijstand is verrekend.

Uitspraak

16/6229 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
23 augustus 2016, 16/1234 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)
Datum uitspraak: 11 juli 2017
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.J. Coenen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Coenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. I.J. Teunis.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft drie minderjarige kinderen. Zij heeft zich op 4 september 2015 bij het college gemeld om aanvullende bijstand aan te vragen op grond van de Participatiewet (PW) en op 7 september 2015 de aanvraag ingediend. Zij heeft daarbij gemeld dat zij verwikkeld was in een echtscheidingsprocedure en dat haar echtgenoot de echtelijke woning per
20 augustus 2015 had verlaten. Appellante ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2.
Bij besluit van 28 september 2015 heeft het college aan appellante met ingang van
4 september 2015 (aanvullende) bijstand toegekend op grond van de PW voor een alleenstaande ouder.
1.3.
Bij beschikking van 30 september 2015 heeft de rechtbank Overijssel bepaald dat de echtgenoot van appellante voorlopig met ingang van die datum als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van appellante € 233,- per maand en als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 60,- per kind per maand dient te voldoen.
1.4.
Bij beschikking van 8 december 2015 heeft de rechtbank Overijssel de echtscheiding van appellante en haar echtgenoot uitgesproken en bepaald dat deze vanaf dat moment aan appellante als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kinderen maandelijks € 124,- per kind dient te voldoen.
1.5.
Bij besluit van 8 december 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 maart 2016 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 30 september 2015 ingetrokken op de grond dat het inkomen van appellante, bestaande uit de
WIA-uitkering en de partner- en kinderalimentatie die appellante ontving, boven de voor haar van toepassing zijnde bijstandsnorm uitkwam.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat de kinderalimentatie die zij ontvangt niet op de bijstand in mindering mag worden gebracht, omdat zij bijstand ontvangt naar dezelfde norm als die voor een alleenstaande. De door haar ontvangen bijstand strekt niet mede ten behoeve van haar kinderen. Door te korten op de alleenstaandennorm bewerkstelligt het college dat appellante het gehele gezin moet onderhouden van een bedrag dat per saldo slechts bedoeld is en ook slechts toereikend geacht kan worden voor het levensonderhoud van een alleenstaande. Appellante heeft ter zitting van de Raad een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3011.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De hier te beoordelen periode loopt van 30 september 2015 tot en met 8 december 2015.
4.2.1.
Ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van de PW wordt onder gezin onder meer verstaan de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen.
4.2.2.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de PW worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW worden niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon.
4.2.3.
Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW, voor zover hier van belang, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW dienen deze middelen betrekking te hebben op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan.
4.3.
Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen (Stb. 2014, 227) in werking getreden. Bij deze wet zijn de regelingen met betrekking tot de bijdrage van de Nederlandse overheid in de kosten van verzorging en opvoeding van kinderen herzien. Uit artikel 21, aanhef en onder a, van de PW volgt dat de bijstandsnorm voor een ‘alleenstaande ouder’ gelijk is gesteld aan de bijstandsnorm voor een ‘alleenstaande’. In de inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders wordt voorzien door middel van een ‘alleenstaande- ouderkop’ (alo-kop), als onderdeel van het kindgebonden budget, een toeslag die wordt uitbetaald door de Belastingdienst. Het begrip ‘alleenstaande ouder’ is in de PW gehandhaafd en heeft voor andere aspecten (bijvoorbeeld ten aanzien van de arbeidsinschakeling en de in aanmerking te nemen middelen) nog wel betekenis.
4.4.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet hervorming kindregelingen (Kamerstukken II 2012/2013, 33 716, nr. 3, blz. 34) blijkt dat de alleenstaande ouder als gezinshoofd de volledige zorg draagt voor de tot zijn last komende kinderen en dat de bijstand zowel voor paren met kinderen als voor alleenstaande ouders mede ten behoeve van het levensonderhoud van die kinderen wordt verstrekt. Kinderen hebben als gezinsleden geen zelfstandig recht op bijstand. Omdat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt dienen de middelen van alle gezinsleden in beginsel in aanmerking te worden genomen. Een voorbeeld hiervan is kinderalimentatie. Dit sluit aan bij het complementaire karakter van de bijstand.
4.5.
Uit 4.3 en 4.4 volgt, zoals de Hoge Raad in het arrest van 10 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1138, heeft geconcludeerd, dat, anders dan appellante heeft betoogd, de bijstand van appellante mede ten behoeve van haar kinderen wordt verstrekt. De door appellante ontvangen kinderalimentatie heeft het college dan ook terecht op de bijstand van appellante in mindering heeft gebracht.
4.6.
Het beroep van appellante op het in 2 genoemde arrest van de Hoge Raad, slaagt niet. Dit arrest betreft de wijze van berekening van kinderalimentatie en niet, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, de vraag of kinderalimentatie op een bijstandsuitkering in mindering mag worden gebracht.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en M. ter Brugge en
J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend) C.A.E. Bon

HD