ECLI:NL:CRVB:2017:2502

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2017
Publicatiedatum
19 juli 2017
Zaaknummer
16/5028 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22a Participatiewet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing kostendelersnorm bij verblijf met aanverwant verhuurder niet uitgesloten

Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en woont sinds november 2014 bij het gezin van haar dochter op een adres waar ook de ex-partner van haar dochter, O., als verhuurder optreedt. Het college van burgemeester en wethouders van Helmond heeft de bijstand van appellante verlaagd met toepassing van de kostendelersnorm, omdat zij deel uitmaakt van een huishouden van drie meerderjarige personen.

Appellante voerde aan dat vanwege de commerciële relatie met de verhuurder, die tevens een aanverwant is, de kostendelersnorm niet zou moeten worden toegepast. Zij stelde dat dit tot onevenredige gevolgen leidt ten opzichte van personen die dezelfde huurprijs betalen maar niet onder de kostendelersnorm vallen.

De Raad overwoog dat de wettelijke uitzondering op de kostendelersnorm niet geldt voor personen die aanverwant zijn in de eerste graad, ook niet als er een commerciële huurovereenkomst bestaat. De kostendelersnorm blijft daarom van toepassing. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De kostendelersnorm wordt toegepast ondanks de commerciële huurovereenkomst met een aanverwant, en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

16.5028 PW

Datum uitspraak: 11 juli 2017
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
23 juni 2016, 15/6730 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Akkaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 18 april 2017. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 27 december 2007 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 7% in verband met de mogelijkheid tot kostendeling. Sinds 25 november 2014 woont appellante bij het gezin van haar dochter op het adres [adres] te [woonplaats].
1.2.
Bij besluit van 28 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 augustus 2015 (bestreden besluit), heeft het college met toepassing van de kostendelersnorm de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot een bedrag van € 594,80. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante onderdeel is van een huishouden van drie personen die meetellen voor de toepassing van de kostendelersnorm.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij, samengevat, het volgende aangevoerd. Appellante heeft een commerciële relatie met de verhuurder, O. [O.] (O), de ex-echtgenoot/partner van haar dochter, zodat in haar geval de kostendelersnorm niet van toepassing is. Toepassing van de kostendelersnorm, ondanks deze commerciële relatie, leidt tot onevenredigheid ten opzichte van een persoon die dezelfde huurprijs betaalt, maar op wie de kostendelersnorm niet van toepassing is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met ingang van 1 januari 2015 is de PW in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand en is met artikel 22a van de PW de “kostendelersnorm” ingevoerd. In deze zaak is van toepassing de tekst van deze bepaling zoals die luidde tot 1 januari 2016. Volgens het eerste lid van deze bepaling is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende, behoudens de uitzonderingssituaties zoals genoemd in het derde en vierde lid:

((40% + A × 30%) / A) × B

Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm als bedoeld in het tweede lid.
4.2.
Artikel 22a, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW luidde tot 1 januari 2016 als volgt:
“Tot de personen, bedoeld in het eerste lid, worden niet gerekend de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft”.
4.3.
De wettelijke uitzondering, bedoeld in 4.2, is in het geval van appellante niet van toepassing, omdat O een aanverwant is in de eerste graad. Dit betekent dat de kostendelersnorm op appellante van toepassing is, zelfs als tussen partijen een commerciële huurovereenkomst is overeengekomen. Voor een afwijking als door appellante beoogd, biedt artikel 22a van de PW geen ruimte.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2017.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) C.A.E. Bon

HD