Appellante kreeg op grond van de Wet studiefinanciering 2000 een herziening van haar studiefinanciering opgelegd, waarbij zij vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studente werd aangemerkt. De minister baseerde dit besluit op onderzoeken naar haar woonsituatie, uitgevoerd door controleurs van een privaat bedrijf. Tijdens het hoger beroep bleek dat enkele onderzoeken waren verricht door controleurs die als zelfstandige zonder personeel (zzp’ers) werkten en daarmee onbevoegd waren.
De Raad overwoog dat toezicht op naleving van de Wsf 2000 een overheidstaak is en dat het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend moet gebeuren. Uit eerdere uitspraken volgt dat bevindingen van onderzoek door onbevoegde controleurs als bewijs ontoelaatbaar zijn. Omdat de onderzoeken in deze zaak mede door onbevoegde controleurs zijn verricht, zijn de bevindingen onrechtmatig verkregen en niet bruikbaar als bewijs.
Zonder deze bevindingen ontbreekt een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellante niet op het geregistreerde adres woont. Daarom is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en vernietigt de Raad het besluit. Tevens wordt het oorspronkelijke besluit van 5 juli 2014 herroepen wegens hetzelfde gebrek. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.