Appellante werd bij besluit van 13 juni 2014 en het daaropvolgende besluit van 17 oktober 2014 door de minister aangemerkt als thuiswonende studente, waardoor haar studiefinanciering werd herzien. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het onderzoek naar de woonsituatie van appellante mede is verricht door een controleur die niet bevoegd was, omdat deze niet in dienst was van het aangewezen privaat bedrijf maar als zelfstandige zonder personeel werkte.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat toezicht op de naleving van artikel 1.5 Wsf 2000 een overheidstaak is en dat het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend moet gebeuren. Bevindingen van onderzoek door onbevoegde controleurs zijn als bewijs ontoelaatbaar. Omdat het bewijs onrechtmatig is verkregen, ontbreekt een voldoende feitelijke grondslag voor het besluit van de minister.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en het besluit van 13 juni 2014, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante. Tevens wordt de minister verplicht het betaalde griffierecht te vergoeden.