Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2017:2614

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2017
Publicatiedatum
28 juli 2017
Zaaknummer
16/6589 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens arbeidsgeschiktheid

Appellante was werkzaam als medewerkster tankstation en meldde zich ziek met knie-, gewrichts- en moeheidsklachten. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling werd zij ongeschikt geacht voor haar eigen werk, maar wel geschikt voor andere functies zoals inpakker en kassamedewerker. Het UWV stelde vast dat zij met deze functies meer dan 65% van haar loon kon verdienen en beëindigde haar ziekengeld.

Appellante meldde zich later opnieuw ziek met psychische en lichamelijke klachten, maar hieruit ontstond geen recht op ziekengeld. Na een nieuwe ziekmelding in augustus 2015 en een medisch onderzoek werd zij per 17 september 2015 geschikt verklaard voor de eerder genoemde functies, waarna het UWV haar Ziektewet-uitkering stopzette. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten van appellante niet voldoende objectief waren onderbouwd om arbeidsongeschiktheid aan te nemen. De Raad onderschrijft dit oordeel en bevestigt dat de klachten geen reden zijn om het besluit te vernietigen. Het hoger beroep van appellante wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

16/6589 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
8 september 2016, 15/4963 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 juli 2017
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante was werkzaam als medewerkster tankstation voor 30 uur per week. Zij heeft zich op 6 mei 2013 ziek gemeld wegens knie-, gewrichts- en moeheidsklachten. In het kader van een eerstejaars Ziektewet (ZW)-beoordeling (EZWb) is appellante per 5 mei 2014 ongeschikt geacht voor het verrichten van haar eigen arbeid. Zij is door een verzekeringsarts van het Uwv echter wel, met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 april 2014, belastbaar geacht. Een arbeidsdeskundige heeft op basis van deze FML de functies van inpakker, kassamedewerker en huishoudelijke hulp voor appellante geschikt bevonden. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 1 mei 2014 vastgesteld dat appellante met ingang van 6 juni 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij met de voornoemde functies meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 12 november 2014 ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte komen vast te staan.
1.2.
Appellante heeft zich op 13 november 2014 opnieuw ziekgemeld, met psychische klachten, klachten aan de linkerpols en pijn in het gehele lijf. Uit deze ziekmelding is, na een verzekeringsgeneeskundige beoordeling door het Uwv, geen recht op ziekengeld ontstaan.
1.3.
Appellante heeft zich op 12 augustus 2015 opnieuw ziek gemeld, met klachten aan de knie en rug na belasting. Op 16 september 2015 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 17 september 2015 geschikt geacht voor de reeds bij de EZWb geselecteerde functies als genoemd onder 1.1. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 16 september 2015 vastgesteld dat appellante per 17 september 2015 geen recht meer heeft op ZW-uitkering. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 27 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 november 2015 ten grondslag gelegd.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het medisch onderzoek is als zorgvuldig beoordeeld en de conclusies van de verzekeringsartsen zijn inzichtelijk en concludent gemotiveerd geacht. Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat de verzekeringsartsen in hun medische rapporten onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de medische situatie van appellante. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante heeft bevestigd dat de door haar gestelde hernia (nog) niet is vastgesteld door een arts. De rechtbank heeft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat het laatst verrichte werk van medewerker bakkerij alleen al vanwege het lopen en staan gedurende de hele werkdag niet passend is, dit als een mislukte werkhervattingspoging valt te beschouwen en niet dit werk, maar de destijds geselecteerde EZWb functies als maatstaf voor de ZW-uitkering moeten gelden, gevolgd. De rechtbank heeft eveneens het standpunt van deze arts gevolgd dat de door appellante ervaren (pijn)klachten niet direct reden zijn tot het aannemen van beperkingen die het eigen werk in de weg staan. Deze verzekeringsarts heeft volgens de rechtbank bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat in de FML van 11 april 2014 voldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante en dat er geen medisch objectiveerbare belemmering bestaat om dit algemeen geaccepteerde werk te verrichten. De enkele stelling van appellante dat zij nog steeds onder behandeling staat heeft voor de rechtbank niet tot twijfel geleid aan de verzekeringsgeneeskundige onderbouwing van het bestreden besluit. Appellante heeft volgens de rechtbank in beroep geen objectief medische informatie ingebracht op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat zij op de datum in geding wel of meer (medisch) beperkt was om haar arbeid te verrichten. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat niet of onvoldoende aannemelijk is geworden dat de klachten van appellante per 17 september 2015 tot arbeidsongeschiktheid moeten leiden, zodat het Uwv terecht heeft besloten haar per die datum weer arbeidsgeschikt te verklaren.
3.1.
Appellante stelt zich, net als in beroep, op het standpunt dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld. De rug- en knieklachten zijn nog onverminderd aanwezig en zij zal worden geopereerd aan de meniscus in de rechterknie. Voorts is zij vanwege de rugklachten doorverwezen naar een kliniek, echter kan zij dit niet betalen. Appellante acht zich vanwege haar beperkingen niet in staat arbeid te verrichten.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
De hoger beroepsgronden van appellante zijn een herhaling van de gronden die zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.
5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Gayir als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017.
(getekend) E.W. Akkerman
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

UM