ECLI:NL:CRVB:2017:263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Loonsanctie verkorting wegens herstel re-integratieverplichting werkgever
Werknemer viel in augustus 2010 wegens knieklachten uit en kreeg later ook longklachten, waardoor hij regelmatig niet belastbaar was. De bedrijfsarts en arbeidsdeskundige adviseerden in 2011 om het tweede spoor van re-integratie te starten, gericht op werk buiten het bedrijf. De werkgever startte dit traject echter pas in april 2012, nadat zij eerst van arbodienst was gewisseld en het oordeel van de nieuwe bedrijfsarts had afgewacht.
Het UWV legde een loonsanctie op omdat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, met name vanwege de late start van het tweede spoor. De werkgever had echter samen met werknemer verzocht om verlenging van de loondoorbetalingsperiode zodat het tweede-spoor-traject kon worden afgerond. Dit verzoek werd ingewilligd.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond, maar de Centrale Raad oordeelt anders. De Raad stelt dat het UWV onvoldoende heeft onderbouwd dat de inspanningen onvoldoende waren, nu de werkgever het manco van de late start heeft hersteld door de verlenging. Ook is het tweede-spoor-traject adequaat vormgegeven, rekening houdend met de medische situatie van werknemer.
De Raad vernietigt het besluit van het UWV en bekort de loondoorbetalingsperiode tot 12 november 2012. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de kosten van de werkgever.
Uitkomst: De loonsanctie wordt bekort tot 12 november 2012 omdat de werkgever het manco van de late start van het tweede spoor heeft hersteld.