Uitspraak
18 februari 2016, 15/3796 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich ziek met huidklachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde het UWV vast dat zij vanaf 6 april 2015 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Dit besluit werd ondersteund door rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat het zich te veel richtte op theoretische factoren en onvoldoende rekening hield met objectief waarneembare factoren.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met inachtneming van diverse medische rapporten en onderzoeken. Ook de arbeidskundige beoordeling werd als voldoende onderbouwd beschouwd. Appellante overlegde geen nieuwe medische informatie die tot een ander oordeel zou kunnen leiden.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.