ECLI:NL:CRVB:2017:2658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onveranderde voortzetting WAO-uitkering ondanks vermeende toename beperkingen
Appellant, laatst werkzaam als expeditiemedewerker, ontvangt sinds 2000 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Na melding van toegenomen lichamelijke en psychische klachten in 2013 besloot het UWV de uitkering onveranderd voort te zetten. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen waren onderschat en overhandigde hij aanvullend medisch bewijs, waaronder een rapport van een medisch adviseur en informatie van behandelaars. Tevens betoogde hij dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige had afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling door verzekeringsartsen zorgvuldig was verricht en dat de aanvullende informatie geen nieuwe relevante medische feiten bevatte. De diagnose van depressieve klachten bij psychosociale problematiek werd door alle betrokken deskundigen gedeeld. De functionele mogelijkhedenlijst was adequaat vastgesteld en er was geen reden om het oordeel te betwijfelen of een deskundige te raadplegen.
De Raad concludeerde dat de klachten die appellant aanvoerde niet gerelateerd waren aan de arbeidsongeschiktheid waarvoor de uitkering wordt verstrekt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de onveranderde voortzetting van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%.