Appellante kreeg op grond van de Wet studiefinanciering 2000 een herziening van haar studiefinanciering en een boete opgelegd omdat zij vanaf 1 januari 2012 als thuiswonende studente werd aangemerkt. Dit was gebaseerd op een onderzoek naar haar woonsituatie, uitgevoerd door controleurs die niet in loondienst waren bij het aangewezen privaat bedrijf, maar als zelfstandigen zonder personeel werkten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het toezicht op de naleving van artikel 1.5 Wsf 2000 een overheidstaak is en dat het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend moet gebeuren. Uit eerdere jurisprudentie volgt dat bevindingen van onderzoek dat mede is verricht door onbevoegde controleurs, zoals zelfstandigen zonder arbeidsovereenkomst bij het privaat bedrijf, als bewijs ontoelaatbaar zijn.
Omdat het onderzoek in deze zaak door onbevoegde controleurs was uitgevoerd, zijn de bevindingen onrechtmatig verkregen en niet als bewijs te gebruiken. Hierdoor ontbrak een deugdelijke motivering voor het besluit van de minister. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de eerdere besluiten waarop het was gebaseerd en veroordeelde de minister in de proceskosten van appellante.