ECLI:NL:CRVB:2017:2680
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AOR-toekenningen wegens ontbreken oorlogsgeweld Nederlands-Indië
Appellant, geboren in 1943 in het toenmalige Nederlands-Indië, verzocht in 2014 om toekenningen op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder wees de aanvraag in 2015 af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat appellant persoonlijk oorlogsgeweld had ondervonden.
De Raad bevestigt dit standpunt en verwijst naar eerdere uitspraken waarin geen bevestiging is verkregen van internering, bombardementen of ongeregeldheden die appellant zou hebben meegemaakt. Ook het door appellant genoemde incident waarbij hij gewond raakte, kon niet worden bevestigd of toegerekend aan de AOR.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van de procedure is overschreden met drie maanden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van appellant.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waarmee het bestreden besluit in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag AOR-toekenningen afgewezen wegens onvoldoende bewijs van persoonlijk oorlogsgeweld.