Appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2013 van het Zorgkantoor. Het Zorgkantoor stelde meerdere keren dat appellant niet tijdig zijn pgb had verantwoord en stopzette daarom de uitbetaling en trok het pgb per 1 oktober 2013 in. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat hij tijdig had verantwoord.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant het verantwoordingsformulier niet tijdig had ingediend. In hoger beroep betwistte appellant dat zorg in natura een adequaat alternatief is en voerde aan dat hij tijdig had verantwoord.
De Raad oordeelde dat de termijn van zes weken voor verantwoording in de Regeling subsidies AWBZ niet als fatale termijn moet worden gezien, mede vanwege het beschermende doel van de regeling. Hierdoor had het Zorgkantoor de aanvullende stukken van appellant moeten meewegen bij het besluit. Het hoger beroep slaagde, de aangevallen uitspraak werd vernietigd, het besluit van 30 september 2013 herroepen en het beroep van appellant gegrond verklaard.
Daarnaast werd het Zorgkantoor veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.