ECLI:NL:CRVB:2017:2699

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 augustus 2017
Publicatiedatum
4 augustus 2017
Zaaknummer
16/3849 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ANWArt. 13a ANWArt. 22 Algemeen Verdrag sociale zekerheid Nederland-MarokkoArt. 63a ANW
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet

Appellante, woonachtig in Marokko, verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot, die eveneens in Marokko woonde en een AOW-pensioen ontving. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat de echtgenoot op het moment van overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Dit besluit werd bij bezwaar gehandhaafd en de rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen inkomsten had en ziek was, maar de Raad oordeelde dat de echtgenoot niet verzekerd was omdat hij niet in Nederland woonde of werkte en ook niet verzekerd was onder de Marokkaanse wetgeving. Bovendien kon hij niet postuum deelnemen aan de vrijwillige verzekering omdat het verzoek niet tijdig was ingediend.

De Raad concludeerde dat appellante niet als nabestaande in de zin van de ANW kan worden aangemerkt en dat de weigering van de ANW-uitkering terecht is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een ANW-uitkering omdat haar echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW.

Uitspraak

16/3849 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2016, 16/6076 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] , Nador (Marokko) (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 4 augustus 2017
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2017. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen.

OVERWEGINGEN

1.1
Appellante woont in Marokko. Haar echtgenoot, [naam echtgenoot] , geboren in 1928, was ten tijde van zijn overlijden op 23 februari 2014 eveneens woonachtig in Marokko. De echtgenoot van appellante ontving tot zijn overlijden een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
1.2.
Appellante heeft een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd.
1.3.
Bij besluit van 2 april 2015 heeft de Svb de aanvraag om een nabestaandenuitkering afgewezen, omdat de echtgenoot van appellante op de dag van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Bij beslissing op bezwaar van 6 augustus 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellante kan niet in aanmerking komen voor een nabestaandenuitkering omdat zij geen nabestaande is in de zin van de ANW.
1.4.
In bezwaar tegen dit besluit heeft appellante te kennen gegeven dat zij bereid is om de premies voor de vrijwillige verzekering alsnog te betalen.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 6 augustus 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 april 2015 ongegrond verklaard.
1.6.
Bij besluit van 29 september 2015 heeft de Svb bepaald dat de overleden echtgenoot van appellante niet postuum deel kan nemen aan de vrijwillige AOW/ANW-verzekering. Het verzoek tot deelname aan de vrijwillige verzekering in 2015 is niet tijdig gedaan. Doordat appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen dit besluit is dit besluit in rechte komen vast te staan.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij geen inkomsten heeft en dat zij ziek is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Op grond van artikel 13 van Pro de ANW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, maar ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
4.1.2.
Op grond van artikel 13a, aanhef en onder a, van de ANW wordt zo nodig in afwijking van artikel 13 en Pro de daarop berustende bepalingen als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
4.1.3.
In artikel 22, eerste lid, van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Verdrag) is bepaald dat wanneer een werknemer op wie dit Verdrag van toepassing is, op het tijdstip van zijn overlijden verzekerd is krachtens de Marokkaanse wettelijke regelingen, en tijdvakken van verzekering volgens de Nederlandse wettelijke regelingen inzake uitkering aan nagelaten betrekkingen heeft vervuld, zijn weduwe op een pensioen krachtens laatstgenoemde wettelijke regelingen aanspraak kan maken.
4.1.4.
Op grond van artikel 63a van de ANW kan de gewezen verzekerde, indien deze direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest, zich vrijwillig verzekeren over een periode van tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd.
4.2.
Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellante geen recht heeft op een nabestaandenuitkering omdat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW.
4.3.
Omdat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden in Marokko woonde en niet meer in Nederland werkte, was hij toen op grond van artikel 13 niet Pro verzekerd voor de ANW.
4.4.
Op grond van gegevens van de Caisse Nationale de Sécurité Sociale staat vast dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was op grond van de Marokkaanse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 13a van de ANW in combinatie met artikel 22 van Pro het Verdrag geen aanspraak op een nabestaandenuitkering bestaat.
4.5.
Het aan de echtgenoot van appellante toegekende AOW-pensioen leidt niet tot verplichte verzekering voor de ANW. Niet gebleken is dat de echtgenoot van appellante destijds gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zich vrijwillig te verzekeren voor de ANW. In het besluit van de Svb van 29 september 2015 is bepaald dat de overleden echtgenoot van appellante niet postuum deel kan nemen aan de vrijwillige verzekering.
4.6.
De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Appellante kan niet aangemerkt worden als nabestaande op grond van die wet. De ANW-uitkering is dus terecht geweigerd.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2017.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) N. van Rooijen
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

AB