Uitspraak
11 september 2015, 14/6731 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
€ 180,-.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen volgens de Vreemdelingenwet 2000, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af, waarna betrokkene bezwaar maakte. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat betrokkene recht had op opvang conform de bed-bad-broodvoorziening, en kende een dwangsom toe wegens niet tijdig beslissen.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat opvang in een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) een voldoende en aan de Wmo voorliggende voorziening is, waarmee de noodzaak van opvang op grond van de Wmo vervalt. Hierdoor slaagde het hoger beroep van het college.
De Raad verwierp het beroep van betrokkene dat hij dwangsommen zou zijn misgelopen omdat geen besluiten waren genomen op eerdere aanvragen. De Raad bevestigde dat er wel degelijk besluiten waren genomen, waarmee de dwangsom terecht werd toegekend door de rechtbank. De uitspraak van de rechtbank werd daarom bevestigd voor het onderdeel dwangsom, maar voor het overige vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen veroordeling in proceskosten in hoger beroep opgelegd. De uitspraak werd gedaan door L.M. Tobé, in aanwezigheid van griffier M.S.E.S. Umans, op 25 januari 2017.
Uitkomst: Hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard, hoger beroep van het college gegrond, dwangsom wegens niet tijdig beslissen bevestigd.