Betrokkene, een vreemdeling zonder aanspraak op voorzieningen op grond van het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000, had bezwaar gemaakt tegen de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om hem maatschappelijke opvang te verlenen volgens de Wmo. De rechtbank Amsterdam had het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat betrokkene recht had op opvang volgens de bed-bad-broodvoorziening.
Zowel betrokkene als het college stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat opvang in een VBL als een voldoende en voorliggende voorziening geldt die de noodzaak van opvang op grond van de Wmo wegneemt. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie van de Raad en internationale verplichtingen.
Het beroep van het college slaagde, het hoger beroep van betrokkene faalde voor zover het ging om het toekennen van dwangsommen. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover deze zelf in de zaak had voorzien en bepaalde dat het bezwaar van betrokkene ongegrond is. De uitspraak van de Raad vervangt het vernietigde besluit en bevestigt het standpunt van het college.