Werknemer, werkzaam als vertegenwoordiger bij appellante, viel op 7 juli 2008 uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV kende hem aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 46,07%. Zowel werknemer als appellante maakten bezwaar tegen het niet toekennen van een IVA-uitkering. Na diverse besluiten en bezwaarprocedures herzag het UWV het besluit en kende met ingang van 12 augustus 2014 een IVA-uitkering toe.
Appellante stelde beroep in tegen dit herroepingsbesluit, stellende dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 4 september 2014 niet was vastgesteld en dat het latere besluit van 30 juni 2015 in de procedure betrokken had moeten worden. De rechtbank wees het beroep ongegrond en sloot het latere besluit buiten de procedure.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat het besluit van 30 juni 2015 onherroepelijk was geworden door intrekking van het beroep door appellante. De Raad oordeelde dat het recht op IVA-uitkering zich uitstrekt over de datum van 4 september 2014 en dat appellante volledig in haar belangen is tegemoetgekomen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de totale duur van de procedure binnen vier jaar bleef.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.