ECLI:NL:CRVB:2017:289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding studiefinanciering
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin studiefinanciering werd toegekend in de vorm van een rentedragende lening en een aanvullende beurs, beide gesteld op nul euro. Dit bezwaar werd door de minister niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.
De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. Volgens de rechtbank had appellant uit het besluit kunnen opmaken dat hij onder het nieuwe stelsel van studiefinanciering viel en dat geen basisbeurs was toegekend. Het feit dat appellant pas na ontvangst van een brief van de minister de inhoud van het besluit begreep, maakte de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
In hoger beroep stelde appellant dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar was omdat het besluit onduidelijk was en hij pas later begreep dat hij geen basisbeurs had ontvangen. Ook voerde hij aan dat hij op basis van verklaringen van zijn oude hogeschool en de minister mocht aannemen dat het oude stelsel op hem van toepassing bleef.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant het besluit onjuist had geïnterpreteerd en dat dit voor zijn eigen rekening en risico kwam. De Raad vond geen aanwijzingen dat appellant een toezegging had gekregen dat hij rechten onder het oude stelsel kon behouden. Daarom werd de termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht en werd het hoger beroep afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare termijnoverschrijding.